Категория:Нидерландские глаголы
Внешний вид
Подкатегории
В этой категории отображается 32 подкатегории из имеющихся 32.
- Нидерландские переходные глаголы (60 с.)
- Нидерландские эргативные глаголы (18 с.)
Б
- Глаголы бросания/nl (1 с.)
Г
- Глаголы глотания/nl (2 с.)
- Глаголы горения/nl (0 с.)
- Глаголы дыхания/nl (1 с.)
- Глаголы жизни/nl (1 с.)
- Глаголы питья/nl (1 с.)
Е
- Глаголы еды/nl (1 с.)
К
- Глаголы копирования/nl (2 с.)
- Глаголы купания/nl (1 с.)
Л
- Глаголы литья/nl (3 с.)
Н
- Глаголы накопления/nl (1 с.)
- Глаголы наполнения/nl (3 с.)
- Глаголы нюхания/nl (1 с.)
О
- Глаголы оценки/nl (2 с.)
П
- Глаголы посещения/nl (1 с.)
Р
- Глаголы речи/nl (5 с.)
С
- Глаголы свечения/nl (4 с.)
У
- Глаголы уничтожения/nl (5 с.)
Страницы в категории «Нидерландские глаголы»
Показано 200 страниц из 938, находящихся в данной категории.
(Предыдущая страница) (Следующая страница)A
- aaien
- aanbellen
- aanbevelen
- aanbidden
- aanbieden
- aandoen
- aandragen
- aandrijven
- aanhalen
- aanhoren
- aanklagen
- aankleden
- aankomen
- aanleren
- aanmelden
- aanmoedigen
- aannemen
- aanpakken
- aanraden
- aanraken
- aanranden
- aanschaffen
- aanschouwen
- aanschrijven
- aansluiten
- aanspreken
- aansteken
- aantonen
- aantreffen
- aantrekken
- aanvaarden
- aanvallen
- aanvullen
- aanwakkeren
- aanwijzen
- aanzetten
- abonneren
- absorberen
- accumuleren
- activeren
- ademen
- ademhalen
- afbakenen
- afbellen
- afdrukken
- afdwingen
- afkijken
- afkomen
- afleren
- afleveren
- afmaken
- afnemen
- afpersen
- afrekenen
- afschakelen
- afschrijven
- afslanken
- afspreken
- afstoten
- afstropen
- aftrekken
- afvallen
- afweren
- afwijzen
- afzetten
- afzoeken
- amerikaniseren
- amputeren
- amuseren
- analyseren
- annexeren
- anodiseren
- antwoorden
- appelleren
- archiveren
- asemen
- asemhalen
- associëren
- automatiseren
B
- baden
- bakken
- balanceren
- balsemen
- baren
- barricaderen
- barsten
- baseren
- batikken
- beademen
- beangstigen
- beboeten
- bedingen
- bedreigen
- bedriegen
- begeleiden
- beginnen
- begrijpen
- behandelen
- beheren
- behoren
- behouden
- beïnvloeden
- bekennen
- bekeren
- bekeuren
- bekritiseren
- belasteren
- beleren
- benadrukken
- benijden
- bepalen
- bepeinzen
- bereiken
- beschermen
- beschrijven
- beschutten
- beslissen
- bespreken
- bestaan
- bestraten
- besturen
- betalen
- betekenen
- betonneren
- betrekken
- betwijfelen
- betwisten
- bevallen
- bevatten
- bevelen
- beven
- bevinden
- bevrijden
- bewaken
- bewegen
- bewerken
- bewijzen
- bewonen
- bezielen
- bezoeken
- bezwijken
- bidden
- biechten
- bijstaan
- bijten
- binden
- blaffen
- blazen
- blesseren
- blijken
- blijven
- blozen
- bombarderen
- borduren
- boren
- borgen
- borstelen
- bouwen
- braken
- branden
- brengen
- bureaucratiseren