Приложение:Спряжение:huizen

Материал из Викисловаря
Перейти к навигации Перейти к поиску
Спряжение действительного залога глагола huizen
Неопределённые формы глагола основная форма дополнительная форма
имперфект настоящее huizen te huizen
будущее zullen huizen te zullen huizen
перфект настоящее hebben gehuisd te hebben gehuisd
будущее gehuisd zullen hebben gehuisd te zullen hebben
причастие настоящего времени причастие перфекта повелительное наклонение условное наклонение
huizend gehuisd huis, huist huize
изъявительное наклонение единственное число множественное число
имперфект 1-е лицо 2-е лицо 3-е лицо 1-е лицо 2-е лицо 3-е лицо
ik jij, je u gij hij, zij, het wij, we jullie zij, ze
настоящее (o.t.t.) huis huist huist huist huist huizen huizen huizen
прошедшее (o.v.t.) huisde huisde huisde huisde huisde huisden huisden huisden
будущее (o.t.t.t.) zal huizen zult/zal huizen zult/zal huizen zult huizen zal huizen zullen huizen zullen huizen zullen huizen
условное (o.v.t.t.) zou huizen zou huizen zou(dt) huizen zoudt huizen zou huizen zouden huizen zouden huizen zouden huizen
перфект 1-е лицо 2-е лицо 3-е лицо 1-е лицо 2-е лицо 3-е лицо
ik jij, je u gij hij, zij, het wij jullie zij
настоящее (v.t.t.) heb gehuisd hebt gehuisd hebt/heeft gehuisd hebt gehuisd heeft gehuisd hebben gehuisd hebben gehuisd hebben gehuisd
прошедшее (v.v.t.) had gehuisd had gehuisd had gehuisd hadt gehuisd had gehuisd hadden gehuisd hadden gehuisd hadden gehuisd
будущее (v.t.t.t.) zal gehuisd hebben zal/zult gehuisd hebben zult/zal gehuisd hebben zult gehuisd hebben zal gehuisd hebben zullen gehuisd hebben zullen gehuisd hebben zullen gehuisd hebben
условное (v.v.t.t.) zou gehuisd hebben zou gehuisd hebben zou/zoudt gehuisd hebben zoudt gehuisd hebben zou gehuisd hebben zouden gehuisd hebben zouden gehuisd hebben zouden gehuisd hebben